Toen fietsen nog geen motortje hadden

Terwijl ik het Groot Dictee Heiloo 2026 schrijf, vliegen er duizend en een gedachten door mijn hoofd. Dat heeft te maken met het thema: mijn generatie. 

Die keuze brengt me terug in de tijd. Ik ben 63, dus gaat de tijdmachine naar de jaren zeventig van de vorige eeuw. Toen we voor het eerst kennismaakten met het woordje ‘shit’ en fietsen nog geen motortje hadden. 

Computers, mobiele telefoons en social media bestonden niet. Telefoneren deed je met een vast toestel. Meestal zo’n zwart bakelieten monster. Sommige progressieve ouders hadden een hip modelletje in huis: oranje, groen of rood. 

Geen telefoon? Dan ging je naar een vriendje of moest je op zoek naar een telefooncel (met dubbeltjes, kwartjes of guldens in je zak). Euro’s kenden we niet – die kwamen pas in 2002 om de hoek kijken. 

Op de kleuterschool speelde je twee jaar met blokken; daarna zat je zes jaar op de lagere school. Toen ik klaar was, zat ik dus niet in groep acht, maar in de zesde klas (voor een stoffig schoolbord met krijt). 

Voor een werkstuk had je een encyclopedie, loodzware boekwerken, die je ouders in de kast hadden staan. Of je moest naar de bieb. 

Winkels sloten om vijf uur en waren op zondag dicht. Pinautomaten waren er niet, dus voor cash moest je naar de bank. Kwam je na vijven, was de bank gesloten en moest je hopen dat je ergens geld kon lenen (meestal bij oma). 

De tv had twee kanalen, iedereen keek naar hetzelfde. Handig, want de volgende dag lachte, huilde en verwonderde iedereen zich over dezelfde onderwerpen. Je keek in zwart-wit, want kleurentoestellen waren schaars. En programma's terugkijken was er al helemaal niet bij.

Ik dwaal af. Dat doet zo´n onderwerp dus met je. Donderdag 19 maart in Buk Buk, ons eigen Paradiso. Jong en oud schrijven mee. Komt u ook?