Tidurlah yang nyenyak, ibuku sayang
Ze werd geboren in voormalig Nederlands-Indië. Als kind speelde ze in groene wondertuinen, zwom ze in blauwe meren en hoorde ze ´s avonds de tok tok bami man, de schreeuw van de tokeh en andere vreemde geluiden.
Maar in sprookjes gaat altijd iets mis. In 1942 kwamen de Japanners en werd ze met haar moeder naar een vrouwenkamp gestuurd. Jaren zonder gezondheidszorg, goede voeding en elke dag angst voor slaag, ziekten en dood.
De bevrijding in augustus 1945 bracht geen rust. De Bersiap brak aan. Indonesische nationalisten zwierven over de eilanden, op zoek naar Nederlanders, Indo’s, Chinezen, Molukkers en anderen, die de Nederlanders goedgezind waren. Ze moest dus weg.
Terwijl vader en moeder achterbleven om te redden wat er te redden viel, stapte zij als dertienjarige alleen op de boot naar Nederland. Het koude kikkerlandje dat ze alleen kende van verhalen. Daar kwam ze terecht bij zogenaamde familie in Den Haag.
Vanwege de grote leerachterstand (vier jaar geen les gehad) werd ze in een klas gepropt met dertig lotgenoten; kinderen en tieners, in leeftijd variërend van negen tot achttien. Ook dat overleefde ze allemaal.
Ze trouwde, kreeg twee zonen en bouwde ondanks alle pijn van vroeger een trots leven op. Dat ging lang goed, tot ze begon te vallen. En toen haar lichaam te zwak was om de laatste fatale klap op te vangen, werd ze naar de hospice De Bregthoeve in Schoorl gebracht waar ze verzorging kreeg van de liefste mensen van Nederland.
Gelukkig eindigen sprookjes altijd goed. Zo ook deze. Hortense Assink bezorgde haar een kleine, maar onvergetelijke uitvaart in het afscheidshuis Venire in Limmen. De bijeenkomst sloot af met een liefdesliedje van Ernst Jansz, dat eindigt met mooie Indische klanken. En zo eindigde mijn moeders leven waar het ooit begon. Slaap zacht, lieve moeder. Tidurlah yang nyenyak, ibuku sayang.