Een foto van mezelf, onderweg op natuurijs. Dat deed ik vaak. - Ton Thomassen
Een foto van mezelf, onderweg op natuurijs. Dat deed ik vaak. - Ton Thomassen Foto: Ton Thomassen

De magie van de Elfstedentocht - Ton Thomassen

DeTochtderTochten

HEILOO - De komende weken lees je op onze website herinneringen van Heilooërs aan het fenomeen Elfstedentocht. Dit keer is het woord aan Ton Thomassen.

Als ik in een opschepperige bui ben dan zeg ik weleens dat ik alle Elfstedentochten van de afgelopen 59 jaar allemaal heb uitgereden. De drie kruisjes die in de kast liggen getuigen daarvan.

Het begon in 1963. Als jongetje van 14 zat ik de hele dag voor de buis om Reinier Paping te zien winnen onder Siberische omstandigheden. Toen al dacht ik: daaraan wil ik later ook meedoen. De passie voor de Elfstedentocht was geboren. Zeg maar gerust verslaving, want dat is nooit meer overgegaan. Ik werd lid van een ijsclub, ging twee keer per week trainen op de ijsbaan, en ook in de zomer hield ik mijn conditie op peil. Want je moet natuurlijk goed getraind zijn om 200 km te kunnen schaatsen. Als het vroor was ik een van de eersten die zich vertoonden op natuurijs. Met vrienden maakten we eindeloze tochten. Maar een Elfstedentocht? Die kwam maar niet. Tot 21 februari 1985.

En het jaar daarop in 1986 weer. De laatste was in 1997, afgelopen week precies 25 jaar geleden.

Ik heb er dus drie gereden. Ik herinner me alles nog. De spanning vooraf, de tocht, de aankomst, het publiek onderweg. Dat is onvergetelijk. Ik reed altijd alleen. Als je met een groep vrienden samen rijdt ben je meer tijd kwijt met op elkaar te letten dan met schaatsen. Nou ja alleen? Je rijdt met duizenden anderen, en er is altijd wel een groepje waarbij je kunt aanpikken.

Het meest in mijn beleving is nog de tocht van 1985. Dat was magisch, de vorige was 22 jaar geleden. Ik kan de hele dag nog naspelen. Het begon in de ochtend al met dooi. Bij miezerregen, temperatuur boven nul, stond ik om 9 uur aan de start.

Om 6 uur was ik in Franeker, het begin van ‘de hel van het noorden’. Het was inmiddels pikkedonker, nog 70 km te gaan. Onderweg waren inmiddels alle bruggen afgesloten, vanwege de dooi. Je moest klunen, het talud opklauteren en aan de andere kant er weer af. Dat was een heel aparte belevenis. Je hoefde je handen maar uit te steken en je werd van hand tot hand doorgegeven door vrijwilligers. Ik merkte op dat het allemaal vrouwen waren. Ja, onze mannen rijden allemaal mee en wij willen zoveel mogelijk mensen naar de finish helpen. Weer het ijs op, de duisternis in, je ging het krassende geluid van anderen achterna want je kon niets zien. Ik ben wel 50 keer onderuitgegaan, buikschuivers door plassen dooiwater van 5 cm. De solidariteit onderling was enorm. Viel er iemand dan waren er altijd wel een paar anderen die stopten om te kijken of het wel goed met je ging.

Dan eindelijk Dokkum, het keerpunt in de route. Je komt de haven binnenrijden, omzoomd door duizenden toeschouwers, die ook de grootste krabbelaars toejuichen als in een Romeinse arena.

Het kan nu niet meer stuk, opgeven is geen optie. Nog 20 km naar de Bonkevaart. Ik was om 23.00 binnen, ruim voor sluitingstijd middernacht.

In 1986 was het een makkie, mooi ijs, strakblauwe vrieslucht, ik ben onderweg regelmatig gestopt om een dansje te maken bij de talloze blaaskapellen.

De laatste is nu alweer 25 jaar geleden, op 4 januari 1997. Of hij ooit weer komt, wordt mij vaak gevraagd. De enige zekerheid die ik heb is dat hij elke dag weer een dag dichterbij komt.

Ik ben nog steeds lid van de Vereniging De Friesche Elfsteden. Die is op het onverwachte voorbereid. Er liggen dikke draaiboeken klaar en verspreid over heel Friesland liggen in magazijnen alle noodzakelijke spullen opgeslagen. Die worden op het moment van ‘it giet oan’ uit de kast getrokken om binnen 36 uur van start te kunnen gaan. Of ik weer meedoe? Jazeker, want die verslaving gaat nooit meer over. Alleen 200 km zit er niet meer in. Ik heb al een plan B bedacht. Mijn starttijd is inmiddels naar 6 uur in de ochtend gegaan. Dat gaat volgens anciënniteit dus ouder worden heeft zo zijn voordelen. Ik ga dan een fotoreportage maken, en zie wel hoever ik kom.

Je moet altijd klaar zijn voor de start, de tas met spullen staat klaar, inclusief een pot watervrije vaseline om je gezicht in te smeren en een zeemleren lap voor het klokkenspel. Ook de camera ligt klaar. Het enige wat ik nog moet kopen is een extra accu, want het zal koud zijn.

Mijn stempelkaart uit 1997. - Ton Thomassen
Een mooie foto van de Volkskrant uit 2012. Toen was de 16e tocht dichtbij, maar die ging op het laatste moment niet door. Het illustreert maar weer dat je de hoop op een volgende tocht steeds levend moet houden.
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief